Totstandkoming van de Auteurswet 2004
Internationaal: Het WIPO Auteursrechten Verdrag
Op 6 maart 2002 trad het WIPO Auteursrechten Verdrag in werking. WIPO is de World Intellectual Property Organisation, het orgaan van de Verenigde Naties dat de bevordering van de bescherming van intellectueel eigendom wereldwijd tot doel heeft. In het WIPO-Verdrag wordt het reproductierecht, en de beperkingen daarop, van toepassing verklaard in de digitale omgeving. Verder legt dit verdrag vast dat de opslag van een beschermd werk in digitale vorm in een elektronisch medium een verveelvoudiging is.
Europa: De EU Auteursrechtrichtlijn
De ratificatie van het WIPO Auteursrechten Verdrag geschiedt door de Europese Unie nadat haar lidstaten de Richtlijn 'Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij' hebben omgezet in de nationale wetgeving. Dit zou binnen 18 maanden na vaststelling van de Richtlijn hebben moeten plaatsgevonden. In voornoemde Richtlijn (ook wel Auteursrechtrichtlijn genoemd) worden de onderwerpen van het WIPO verdrag bestreken. Echter de Europese Commissie is verder gegaan dan de WIPO en heeft ook verschillende onderwerpen geregeld die niet in het WIPO verdrag aan de orde komen. Op 22 mei 2001 is door het Europese Parlement de Auteursrechtrichtlijn aangenomen; op 22 juni volgde de publicatie. De Richtlijn bevat onder andere bepalingen over verschillende rechten die de auteursrechthebbenden toekomen. Daarnaast regelt de Richtlijn de mogelijke wettelijke beperkingen op de exclusieve rechten en de juridische bescherming tegen het omzeilen van technische beschermingen die zijn aangebracht op een werk.
Reactie/standpunt FOBID
De Auteursrechtrichtlijn is van groot belang voor bibliotheken omdat daar de rechten en de beperkingen op de rechten uitgebreid worden omschreven. Afhankelijk van de implementatie van de beperkingen op het exclusieve recht van de maker in de nationale wetgeving, wordt en/of blijft het voor bibliotheken mogelijk bepaalde handelingen nog (vergoedingsvrij) te verrichten. Over de wijze waarop FOBID de behandeling van de richtlijn gevolgd heeft kunt u lezen in het archief. Naast deze acties was de vaststelling van de Auteursrechtrichtlijn voor FOBID aanleiding haar standpuntbepaling over het auteursrecht en de nieuwe media (IWI 2001.0634) te herzien en aan te scherpen. Op 25 mei 2001 heeft FOBID haar standpuntbepaling over de wettelijke uitzonderingen voor bibliotheken ter handhaving van hun positie in de informatiemaatschappij gepresenteerd (IWI 2000.0627).
Nederland: Implementatie Auteursrechtrichtlijn
Het Nederlandse Ministerie van Justitie heeft een interactief wetgevingsproces opgezet om de Richtlijn te implementeren. Elke burger is in de gelegenheid gesteld een groot aantal vragen die betrekking hadden over hoe de Richtlijn opgenomen zou moeten worden in de nationale wetgeving, te beantwoorden. Ook FOBID heeft een reactie geschreven. Op 15 oktober 2001 is het voorontwerp van wet gepubliceerd.
Reactie/standpunt FOBID
Niet alleen schreef FOBID een reactie op de vragen over de opname van de Richtlijn in de nationale wetgeving (IWI 2001 0624), ook op de uitnodiging om op het voorontwerp van wet te reageren is FOBID ingegaan (IWI 2001 1523). Na de reacties is het voorontwerp van wet enigszins aangepast en is in juni 2002 het wetsvoorstel gepresenteerd. Met het oog op de schriftelijke inbreng van de leden van de Tweede Kamer inzake het wetsvoorstel Uitvoering richtlijn auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij, heeft de Juridische Commissie van FOBID in oktober 2002 en in april 2003 haar opvattingen en gedachten omtrent het wetsontwerp in een brief aan het Parlement naar voren gebracht. In oktober 2002 is namens 31 deskundigen op het gebied van technologie en auteursrecht een open brief geschreven aan de Tweede Kamer, waarin zij bijzondere aandacht vragen voor twee mogelijke bedreigingen die voortvloeien uit het wetsvoorstel: enerzijds voor gebruiksrechten van consumenten en anderzijds voor (weten- schappelijk) onderzoek naar beveiliging. De brief is mede ondertekend door de voorzitter van de FOBID Juridische Commissie.
Het wetsvoorstel is op 19 februari 2004 door de Tweede Kamer aangenomen. Behandeling in de Eerste Kamer vindt naar verwachting in juni of juli 2004 plaats. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel is een amendement van de heer De Vries aangenomen dat ook voor bibliotheken van belang is. Het amendement houdt in dat een nieuw artikel 15i wordt ingevoegd in de Auteurswet. In dit nieuwe artikel wordt bepaald dat de verveelvoudiging of openbaarmaking van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst geen inbreuk betreft indien deze openbaarmaking of verveelvoudiging uitsluitend bestemd is voor mensen met een handicap, en mits de openbaarmaking of verveelvoudiging direct met de handicap verband houdt, niet van commerciële aard is en wegens die handicap noodzakelijk is. Voor de openbaarmaking en verveelvoudiging is een billijke vergoeding verschuldigd.
De aangenomen motie van Van Dam c.s. waarin de regering verzocht wordt om dit jaar aan de Kamer een actualisatie te sturen van het toekomstperspectief voor het auteursrecht, waarbij expliciet wordt ingegaan op de houdbaarheid en handhaafbaarheid van het huidige rechtenstelsel en de belangen van consumenten en eerlijke mededinging, zal niet alleen de regering aan het denken zetten maar ook de FOBID Juridische Commissie. Zij zal aan het einde van het jaar haar standpunt hierover bepalen.
Het wetsvoorstel
Het wetsontwerp volgt de drie hoofdonderwerpen van de Richtlijn: de rechten, de beperkingen op de rechten en de technische beschermingsmiddelen.
De rechten
De Auteursrechtrichtlijn schrijft de lidstaten voor dat zij voorzien in een reproductierecht, een recht van mededeling van werken aan het publiek, een recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek en een distributierecht. Het verschil tussen het recht van mededeling van werken aan het publiek en het recht van beschikbaarstelling van ander materiaal aan het publiek is daarin gelegen dat bij het recht van mededeling aan het publiek het initiatief bij de bron ligt om het werk ter kennis te brengen aan het publiek, terwijl bij beschikbaarstelling aan het publiek het publiek het initiatief neemt om toegang te krijgen tot het materiaal. Bij het distributierecht is er sprake van verveelvoudiging op een materiële drager. Omdat de Nederlandse Auteurswet geen definities geeft van openbaarmaking en verveelvoudiging zijn de begrippen uit de Richtlijn flexibel genoeg om de rechten waarin voorzien moet worden hieronder op te nemen en om ook eventuele nieuwe digitale technieken te omvatten. Zo valt het reproductierecht evenals het distributierecht onder het verveelvoudigingsrecht en het recht van mededeling aan het publiek onder het openbaarmakingsrecht.
De beperkingen
De Auteursrechtrichtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid om beperkingen en restricties aan te brengen op de exclusieve rechten van de rechthebbenden. Slechts één van deze beperkingen is verplicht, de overigen zijn facultatief. De verplichte beperking betreft de tijdelijke reproductiehandelingen. Tijdelijke kopieën zonder zelfstandige economische waarde, die van voorbijgaande of incidentele aard zijn en die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technische procédé en die worden toegepast om doorgifte in een netwerk bij rechtmatig gebruik van een werk mogelijk te maken, vallen niet onder het reproductierecht.
Bij het wetsvoorstel is het Ministerie van Justitie uitgegaan van de bestaande beperkingen. De beperkingen zijn enkel uitgebreid indien er een aangetoonde behoefte aan nieuwe beperkingen bestond. Er zijn bijvoorbeeld beperkingen opgenomen voor parodieën en voor het verwerken van een werk als onderdeel van een ander werk. Ook staan in het voorontwerp van wet inhoudelijke aanpassingen op bestaande beperkingen. Zo zijn er bijvoorbeeld excepties opgenomen zodat bibliotheken bepaalde handelingen kunnen verrichten.
Nieuwe excepties voor bibliotheken
- Nieuw voor bibliotheken is de exceptie dat niet als inbreuk op het auteursrecht wordt beschouwd het door een besloten netwerk beschikbaar stellen van een werk in de voor openbare raadpleging ingerichte ruimten ten behoeve van onderzoek of privé-studie door individuele leden van het publiek. Deze bepaling sluit aan bij de gegroeide praktijk dat het enkel ter beschikking stellen van boeken en tijdschriften voor raadpleging ter plaatse niet als uitlening wordt beschouwd. Deze exceptie (artikel 15h) betreft enkel raadplegen en heeft geen betrekking op downloaden.
- Nieuw is ook de exceptie voor bibliotheken om voor bewaardoeleinden, vanwege het publieke belang verbonden aan toegankelijkheid van cultureel en artistiek erfgoed, materiaal te mogen verveelvoudigen, de zogenaamde archiefkopie. De tekst van het artikel over de beperking voor preservering is geinspireerd op een voorstel dat door FOBID is gedaan tijdens de behandeling van de Databankenwet om te kunnen verveelvoudigen om zo werken voor verval te behoeden. Een motie van Scheltema verzocht bij de behandeling van de Databankenwet de regering de bepalingen van de Auteurswet, de Wet Naburige Rechten (WNR) en de Databankenwet weg te nemen die instellingen als bibliotheken, archieven en musea belemmeren bij het preserveren van het culturele, artistieke en publieke erfgoed. De motie zag op een wijziging in voornoemde wetten zodat het mogelijk werd beschermd materiaal te verveelvoudigen voor preserveringsdoeleinden zonder toestemming van de rechthebbende. De motie werd toen kamerbreed gesteund maar de Minister van Justitie heeft de motie niet gehonoreerd omdat hij er de voorkeur aan gaf om preservering in Europees verband aan te pakken. Het verzoek van FOBID is echter nu wel gehonoreerd namelijk met artikel 16n van het wetsvoorstel. Dit nieuwe artikel stelt dat als inbreuk op het verveelvoudigingsrecht niet wordt beschouwd de verveelvoudiging door archieven of door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen of musea die niet het behalen van een economisch of commercieel voordeel nastreven, indien die verveelvoudiging geschiedt met het doel exemplaren van het werk voor verval te behoeden, of, als de technologie waarmee het toegankelijk kan worden gemaakt in onbruik raakt, om het werk raadpleegbaar te houden.
Tekst: voorjaar 2004
IBL / Document delivery
Onderstaande tekst, geschreven door A.A. Quaedvlieg, verscheen in de in samenwerking met FOBID JC samengestelde serie ‘De nieuwe Auteurswet’ in Informatie Professional no. 4, april 2005:
Auteursrecht en IBL
Voor wetenschappers en andere informatieconsumenten is interbibliothecair leenverkeer (IBL) waarschijnlijk de mooiste uitvinding - op internet na. IBL is zo simpel dat je zou verwachten dat de Auteurswet daar een even glasheldere basis voor biedt. Maar dat valt tegen. Vragen over de kopie in opdracht, kopieleverantie en IBL vergen enig juridisch trapezewerk.
De papieren kopie is in auteursrechtjargon een reprografie; de reprografie valt weer onder het brede begrip ‘verveelvoudiging’. Voor verveelvoudigen is toestemming van de auteur vereist, tenzij het is toegestaan op grond van een wettelijke uitzondering. De Auteurswet bevat twee uitzonderingen die een basis kunnen bieden voor IBL: artikel 16b en artikel 16h.
Geen inbreuk Op art. 16b is Coen van Laer reeds uitgebreider ingegaan in de vorige aflevering van de rubriek De Nieuwe Auteurswet (Informatie Professional maart 2005). Art. 16b van de Auteurswet 1912 veroorlooft het maken van kopieën voor eigen oefening, studie of gebruik van degene die de kopieën maakt of daartoe opdracht geeft. Art. 16b beperkt de toegestane kopie bij geschriften tot (kort gezegd) korte artikelen of kleine gedeelten van een werk. De wettelijke norm is niet vastgespijkerd op een bepaald aantal woorden. Bij readers hanteert het Nederlands Uitgevers Verbond in overleg met de universiteiten en het hbo de norm van 8.000 woorden. Deze afspraken binden als zodanig alleen de betrokken partijen, maar een zekere normerende werking gaat er natuurlijk toch van uit. Verder is een privé-kopie geoorloofd van gehele werken als die niet meer in de handel zijn. De privé-kopie van art. 16b is niet aan een vergoedingsplicht onderworpen. Als dus een lid van het bibliotheekpersoneel in opdracht van een bezoeker of aanvrager een privé-kopie maakt, is er geen inbreuk op auteursrecht. Maar de wetgever achtte art. 16b geen voldoende basis om reprografieën te legitimeren ‘die de bibliotheken maken ter vervanging van werken waarvan door bepaalde derden om uitlening is verzocht’: geen basis dus voor IBL-kopietjes die de bibliotheek verschaft in plaats van het eigenlijke boek of tijdschrift. In dat geval heeft de derde immers niet een opdracht tot verveelvoudigen gegeven. Hij doet slechts een verzoek tot uitlening. Voor deze gevallen biedt art. 16h echter een uitweg.
Nuance Art. 16h, lid 1 en 2 staan reprografische verveelvoudigingen van artikelen, kleine gedeelten van een boek en uitverkochte (gehele) werken ook toe als er geen sprake is van een privé-kopie, maar op voorwaarde dat een vergoeding wordt betaald. Art. 16h verschilt een nuance van artikel 16b. Het veroorlooft lange artikelen geheel te kopiëren. Art. 16b staat dat alleen voor korte artikelen toe; voor het overige moet men zich tot een klein gedeelte beperken. Als richtsnoer voor wat een ‘klein gedeelte’ is, zou men in beginsel weer de boven al genoemde readerregeling kunnen aanhouden. Die bepaalt dat (bij niet-literair werk) de maximale omvang van een kort gedeelte 10.000 woorden is uit een boek of 8.000 woorden uit een tijdschrift. Daarbij geldt tevens dat niet meer dan een derde gedeelte van het gehele oorspronkelijke boek of tijdschrift mag worden overgenomen. Maar opnieuw: dat is geen door de wet bindend verklaarde norm. Lid 3 van art. 16h (tot 1 september 2004 art. 16b lid 6) staat toe om bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) bijzondere regels te maken voor de openbare dienst en in het algemeen belang werkzame instellingen. Deze AmvB heeft gestalte gekregen in het Besluit reprografisch verveelvoudigen (Staatsblad 2002, 575). Artikel 3 sub a van dit besluit betreft IBL. Het staat de bibliotheken toe om reprografieën te maken ter vervanging van de in art. 16h genoemde werken: artikelen, kleine gedeelten en uitverkochte werken waarvan door derden om uitlening is verzocht. Artikel 5 bepaalt, omwille van de volledigheid, dat (niet alleen het maken maar ook) het afgeven van de aldus vervaardigde verveelvoudigingen aan ‘degenen te wier behoeve zij zijn vervaardigd’ geoorloofd is. De wetgever beziet IBL dus met een welwillend oog.
Adder Niettemin kan er nog een adder onder het gras schuilen. De artikelen 16b en 16h vormen uitzonderingen op het verveelvoudigingsrecht van de auteur, maar deze heeft ook nog een openbaarmakingsrecht. Nu geldt het enkele aanbieden van auteursrechtelijk beschermd materiaal reeds als een ‘openbaarmaking’. Als de IBL-service een aanbod inhoudt tot verspreiding van via IBL ontsloten werken uit de collecties, zou dit theoretisch gesproken als een openbaarmaking door de bibliotheek aan de toestemming van de rechthebbenden zijn onderworpen, zelfs als de enkele verveelvoudiging door art. 16 b of 16h geoorloofd is. Maar zo heet zal de soep wel niet gegeten worden. Nu zowel het vervaardigen van de kopie als de afgifte daarvan uitdrukkelijk is toegestaan, zou het bevreemden als dat niet tevens gold voor het ‘aanbod’ via IBL.
A.A. Quaedvlieg is hoogleraar industriële eigendom en auteursrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Verweesde werken
‘Verweesde werken’ zijn de auteursrechtelijk beschermde werken uit een ver en minder ver verleden, waarvan de (auteurs)rechthebbende niet meer is te achterhalen.
FOBID Juridische Commissie heeft in december 2005 bij het ministerie van OCW aandacht gevraagd voor de problematiek van deze ‘verweesde werken’.
In een brief aan de voorzitter van de Werkgroep Nota Wetenschappelijk Informatiebeleid wijst FOBID JC op de problematiek die zich voordoet, en in toenemende mate zal gaan voordoen, bij projecten die beogen delen van bibliotheek- en archiefcollecties door middel van digitalisering voor een groot publiek toegankelijk te maken. Het betreft de zogenaamde ‘verweesde werken’, in de internationale discussie ook wel ‘orphaned works’ genaamd.
Op verzoek van de Directie Wetgeving Sector Privaatrecht van het ministerie van Justitie schreef FOBID Juridische Commissie (FJC) vervolgens een korte notitie waarin het probleem van de verweesde werken werd geschetst en waarin mogelijke oplossingen worden aangedragen.
Digitale knipselkranten
Al langer speelt de problematiek van de digitale knipselkranten en de vraag of deze vallen onder de persexceptie. Wat zijn de gevolgen van de nieuwe Auteurswet, en wat mogen informatie professionals nu wel of niet doen?
Zie hierover de FAQ no. 1
Onderstaande tekst, geschreven door Michel Frequin, verscheen in de in samenwerking met FOBID JC samengestelde serie ‘De nieuwe Auteurswet’ in Informatie Professional no. 12, december 2004:
Een gratis knipselkrant kun je niet maken
In artikel 15 van de Auteurswet staat sinds 1972 een uitzondering op het auteursrecht ten faveure van de actuele nieuwsvoorziening, de zogenaamde ‘persexceptie’. Bij de wetsherziening van 1 september 2004 is het begrip pers uitgebreid tot het internet. De persexceptie houdt in, dat in en door een dag-, nieuws- of weekblad, tijdschrift of een ander medium dat een zelfde functie vervult (bijvoorbeeld een nieuwssite) actuele artikelen en nieuwsberichten mogen worden overgenomen. Nieuwsberichten mogen worden overgenomen omdat dit korte feitelijke berichten zonder auteursrechtelijke bescherming zijn. Artikelen mogen worden overgenomen zolang de rechthebbende zijn auteursrecht niet uitdrukkelijk voorbehoudt. In 1995 heeft de Hoge Raad bevestigd dat ook papieren knipselkranten tot de pers worden gerekend, zodat middels een papieren knipselkrant nieuwsberichten en artikelen mogen worden overgenomen De Amsterdamse rechtbank oordeelde in 1998 dat de LiteROM, een elektronische databank met tienduizenden recensies en andere artikelen over literaire werken als doorzoekbare databank, hier niet onder viel.
Digitale knipselkrant Blijft nog de vraag openstaan of voor een digitale knipselkrant of -dienst zonder commercieel oogmerk en/of uitsluitend bestemd voor intern gebruik nog wel een beroep kan worden gedaan op de persexceptie? De persexceptie is in de nieuwe wet uitgebreid tot digitale media. In de memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel wordt de gebruiker echter gewaarschuwd dat toepassing in de digitale wereld niet noodzakelijkerwijs tot precies hetzelfde resultaat leidt als in de papieren wereld. Indien het gebruik van nieuwsberichten een economisch zelfstandige betekenis krijgt die ook het exploitatiebelang van rechthebbenden raakt, dan zal het beroep op de persexceptie niet opgaan. Ook indien er sprake is van opslag of aanbieding met een meer permanent karakter, waarbij een element van tijdloze of duurzame exploitatie een overheersende rol speelt, kan geen beroep worden gedaan op de persexceptie. Wel is digitaal knipselen nu mogelijk in het bovenstaande geval: indien het gebeurt zonder commercieel oogmerk en uitsluitend bestemd voor intern gebruik. De bodemprocedure die de Nederlandse Dagblad Pers (NDP) tegen de ministeries heeft aangespannen, levert wellicht meer duidelijkheid op of digitaal knipselen is toegestaan. De voorlichtingsafdelingen van alle ministeries hebben tegenwoordig naast hun papieren knipselkrant ook een digitale versie, inclusief zoekfunctie in een archief. De dagbladuitgevers zijn van mening dat de digitale nieuwsvoorziening überhaupt niet onder de persexceptie kan worden gebracht en hebben de ministeries bovendien gewezen op het door hun gemaakte auteursrechtvoorbehoud. De landsadvocaat heeft al toegegeven dat het aanleggen van een digitaal archief niet onder de persexceptie valt, maar dat is eigenlijk geen nieuws na de LiteROM-uitspraak. Wel wordt nog steeds verdedigd dat ook een digitale knipselkrant onder de persexceptie valt en dat uitgevers hun voorbehoud niet uitdrukkelijk genoeg hebben gemaakt. (Het is op moment van het sluiten van de kopij voor deze uitgave nog niet bekend of de Haagse rechtbank nog voor het eind van het jaar uitspraak doet.)
Wat betreft het commercieel knipselen verhandelden de drie grootste Nederlandse commerciële knipseldiensten jarenlang miljoenen knipsels per jaar. De Amsterdamse rechtbank was in 2002 van mening dat vanwege dit commerciële oogmerk geen beroep op de persexceptie open stond. De activiteiten van Euroclip, Antal Clipping en Knipsel Info Service werden vervolgens door de uitgevers niet onmogelijk gemaakt en in 2003 troffen deze knipseldiensten een regeling met de uitgevers.
Waarom nu (pas)? Uitgevers, journalisten en redacteuren investeren veel tijd, geld en moeite om een kwalitatief goede en gedifferentieerde nieuwsvoorziening voor hun betalende klanten te verzorgen. Het gebruik van hun artikelen in door derden uitgegeven knipselkranten, zonder vergoeding en zonder afspraken over geoorloofd gebruik, zorgt al jaren voor een daling van abonnementen en het niet van de grond komen van de exploitatie van informatie uit kranten en tijdschriften voor de professionele markt. Met name door de ontwikkelingen in technologie is de vroegere knipselkrant, die je vaak een week later doorbladerde om te zien of je nog iets had gemist, vervangen door een digitale nieuwsvoorziening, die op basis van gebruikersprofielen een nieuwsselectie op het scherm brengt en vaak eerder dan de krant of het tijdschrift zelf op het bureau ligt. Een tweede belangrijk verschil met vroeger is, dat uitgevers deze informatievoorziening op maat ook zelf kunnen leveren. De uitgevers die op deze vraag naar informatie zijn gaan inspelen, dienden er eerst voor te zorgen dat zij van hun freelance journalisten het recht verkregen om hun artikelen niet alleen eenmalig te publiceren, maar deze artikelen ook als onderdeel van een databank met alle gepubliceerde artikelen elektronisch ter beschikking te mogen stellen, als totaalbestand en/of archief, maar ook door het verschaffen van gebruikslicenties aan knipseldiensten die op hun beurt weer uit een breder informatieaanbod een selectie maken voor hun afnemers. De uitgevers hebben nu het product en beschikken over de rechten.
Campagne Op 1 november is Copyright Licentie- en Incassobureau PRO (CLIP) een campagne gestart om de aandacht te trekken van bedrijven en instellingen die knipsels uit kranten en tijdschriften maken en verspreiden. Uitgevers en journalisten maken ten aanzien van het gebruik van hun artikelen in knipselkranten en door knipseldiensten nu uitdrukkelijk hun auteursrechtvoorbehoud. Dat staat in de colofons van hun uitgaven en in de campagne wordt daar nog eens uitdrukkelijk op gewezen. Ook nu weer niet om deze informatievoorziening te verbieden, maar om een redelijke en uitvoerbare vergoedingsregeling te treffen. Een gratis knipselkrant kun je niet (meer) maken.
Michel Frequin is secretaris Juridische Zaken van het Nederlands Uitgeversverbond en directeur van Stichting PRO.
CLIP CLIP verleent toestemming om knipsels of knipselkranten te vervaardigen van de door CLIP vertegenwoordigde uitgaven en rechthebbenden. CLIP regelt daartoe de volmachten van de rechthebbenden. De uitgevers hanteren voor bepaalde vormen van gebruik via CLIP collectieve voorwaarden en voor de overige gebruiksvormen kan CLIP bemiddelen. Onder het collectief licentiepakket valt het knippen van maximaal 10 procent van de redactionele inhoud per editie van een krant of tijdschrift voor intern gebruik. Knipsels uit ochtendbladen mogen niet vóór 9.00 uur en knipsels uit avondbladen niet vóór 18.00 uur op de dag van verschijning worden verspreid. Papieren knipselkranten kunnen voor de gehele oplage met CLIP worden geregeld. Voor digitale levering aan interne gebruikers geldt een standaardregeling voor vijf gebruikers en voor meer gebruikers is aanvullende toestemming nodig. Dat geldt ook voor intranetgebruik. Er geldt een tarief per knipsel. Voor knipseldiensten die aan externe klanten leveren is dit tarief een royaltypercentage van 25 procent van de prijs voor het knipsel aan de afnemers, met een minimumvergoeding van 0,50 euro per knipsel. Wil de afnemer het knipsel elektronisch archiveren, dan geldt een toeslag van 50 procent. Voor elektronische doorlevering of gebruik in een knipselkrant geldt een aanvullende auteursrechtvergoeding van 0,05 euro per krantenknipsel per gebruiker. Komt het knipsel uit tijdschriften dan geldt 5 cent per pagina per gebruiker. Voor een knipsel dat door een interne voorlichtingsafdeling of bibliotheek zelf wordt gereproduceerd en verspreid, geldt ook een basistarief van 50 cent. Als de interne dienst gebruik maakt van een knipsel verkregen van een knipseldienst die daarvoor een regeling met CLIP heeft getroffen, hoeft deze 50 cent niet nog eens te worden betaald. Voor meer informatie zie http://www.clip.nl/
De privé-kopie
Onderstaande tekst, geschreven door Coen van Laer, verscheen in de in samenwerking met FOBID JC samengestelde serie ‘De nieuwe Auteurswet’ in Informatie Professional no. 3, maart 2005:
De privé-kopie
De nieuwe Auteurswet heeft de vrijstelling van de privé-kopie onaangetast gelaten. De betreffende wetsartikelen (16b en 16c) blijven gedetailleerd. Hier de hoofdlijnen van de kopieervrijheid van de particulier.
Verbodsrecht en privé-kopie Het recht om een kopie te maken voor 'eigen oefening, studie of gebruik' is geen regel, maar de uitzondering op een regel. De hoofdregel is dat de auteur elke kopie mag verbieden: de auteur heeft een individueel verbodsrecht, tenminste als er sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Overheidspublicaties zijn overigens onbeschermd; het heeft dan ook geen zin om daarvoor een beroep te doen op de vrijstelling van de privé-kopie. Het wordt altijd toegestaan om overheidspublicaties zoals wetten te kopiëren. Is het werk beschermd en heeft de auteur een verbodsrecht, dan is een uitzondering op de hoofdregel welkom. De privé-kopie is zo'n uitzondering. De privé-kopie is een vrijstelling die het verbodsrecht van de auteur beperkt. Dit betekent dat voor het maken van een kopie voor 'eigen oefening, studie of gebruik' aan de auteur of zijn uitgever geen toestemming hoeft te worden gevraagd.
Privé-kopie is beperkt De privé-kopie is toegestaan, maar niet onbeperkt: er gelden voorwaarden voor het maken van een privé-kopie. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om tientallen kopieën te maken: enkele exemplaren (twee of drie) is het maximum, want door een grotere oplage zou de exploitatie van het werk te zeer worden geschaad. De bescherming van de auteur of zijn uitgever speelt ook in het volgende voorbeeld: een fotokopie van een heel boek is slechts toegestaan als dat boek uit de handel is. Privé-kopieën moeten beperkt blijven tot een klein gedeelte als het boek nog ergens gekocht kan worden. Bij tijdschriftartikelen geldt iets dergelijks: alleen 'korte' tijdschriftartikelen mogen in hun geheel gekopieerd worden. Wat een 'kort' en wat een 'niet-kort' artikel is, is echter niet vastgelegd. Duidelijk is alleen dat niet alle tijdschriftartikelen in hun geheel gekopieerd mogen worden.
Privé is niet bedrijfsmatig Zoals gezegd gelden er voorwaarden voor het maken van een privé-kopie. Een privé-kopie behoort tot de (consumptieve) privé-sfeer en daarover heeft de auteursrechthebbende niets te zeggen, ook al wordt de privé-kopie gemaakt in de supermarkt of bibliotheek. De grens wordt echter bereikt bij bedrijfsmatig gebruik. Volgens de nieuwe Auteurswet mag het doel van het kopiëren niet commercieel zijn en mag de kopie niet bestemd zijn voor een organisatie. Zo geldt de vrijstelling voor de privé-kopie niet als er een tijdschriftartikel wordt gekopieerd om een bedrijfsdossier te completeren. Een privé-kopie wordt door en voor particulieren gemaakt.
Fotokopie en digitale kopie De wet maakt onderscheid tussen de fotokopie (reprografische verveelvoudiging) enerzijds en de digitale kopie (elektronische reproductie) anderzijds. Alleen de fotokopie gaat van papier naar papier; bij scannen is sprake van een digitale kopie. In de praktijk is het wettelijke onderscheid tussen fotokopie en digitale kopie moeilijk te maken; bijvoorbeeld door apparaten waarmee zowel een fotokopie als een scan gemaakt kan worden. Het onderscheid tussen fotokopie en digitale kopie is van belang voor de omvang van het toegelaten privé-gebruik. Voor privé-gebruik mag slechts een klein gedeelte van een courant boek reprografisch gekopieerd worden. Wordt een scanner privé gebruikt, dan mag het hele boek op cd-rom worden gezet, ook al is het boek nog in de handel. De auteur kan dit niet verbieden. Het integraal kopiëren is toegestaan met een beroep op de (digitale) privé-kopie. Dit is merkwaardig omdat de verspreiding van digitale kopieën veel gemakkelijker gaat, ook al wordt er in dit geval een bescheiden heffing op de drager (de cd-rom) betaald.
En bij twijfel? De nieuwe Auteurswet maakt het niet altijd gemakkelijk om de regels van de privé-kopie correct toe te passen. Wat moet degene die wil kopiëren doen bij twijfel? Oprekken van de vrijstelling ligt voor de hand, want het maken van een kopie voor 'eigen oefening, studie of gebruik' wordt meestal als een eigen recht ervaren. Bovendien is de pakkans bij schending van het auteursrecht op teksten niet al te groot. Toch is het van belang om zich ervan bewust te zijn dat de privé-kopie niet méér is dan een uitzondering op het verbodsrecht van de auteur. De privé-kopie mag dan ook niet ten koste gaan van de auteur die door zijn creatie rechthebbende is geworden. De auteur moet voldoende zeggenschap houden over het gebruik dat van zijn oorspronkelijke werk wordt gemaakt.
Coen van Laer is juridisch bibliothecaris bij de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit Maastricht
Het readerrecht
Onderstaande tekst, geschreven door Wilma Mossink, verscheen in de in samenwerking met FOBID JC samengestelde serie ‘De nieuwe Auteurswet’ in Informatie Professional no. 1, januari 2005:
Het readerrecht
In het onderwijs wordt geregeld gebruikgemaakt van readers: een bundeling van (delen van) bestaande publicaties. Omdat bestaande publicaties meestal auteursrechtelijk zijn beschermd, is het letterlijk overnemen van delen daarvan door een onderwijsinstelling dan ook aan regels gebonden.
Wetgeving In zowel de oude als de nieuwe Auteurswet is artikel 16 gewijd aan het fenomeen ‘readers’. Artikel 16 maakt het mogelijk om auteursrechtelijk beschermde werken in het onderwijs te gebruiken, maar dan moet wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Bijvoorbeeld: • het werk waaruit wordt overgenomen, moet rechtmatig openbaar gemaakt zijn. Stukken die niet gepubliceerd zijn mogen dus niet worden gebruikt; • het overnemen moet in overeenstemming zijn met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is. De bron moet vermeld worden en het werk mag niet gewijzigd, verminkt of misvormd worden; • er moet een vergoeding betaald worden voor dit gebruik.
Nadere afspraken Het hoger onderwijs en de uitgevers hebben zelf nadere afspraken gemaakt over het gebruik van teksten in onderwijspublicaties om de begrippen ‘korte werken’, ‘kort gedeelte’, ‘billijke vergoeding’, die in artikel 16 omschreven zijn, inhoud te geven. Deze afspraken zijn neergelegd in de Readerregeling. De regeling definieert onderwijspublicaties als elke bundeling van onderwijsmateriaal, waarin een of meer (korte) gedeelten uit auteursrechtelijk beschermde werken zijn overgenomen. Het hbo en het wo kennen verschillende regelingen. Binnen het hbo beslaat de Readerregeling behalve papieren ook digitale publicaties. Bij het wo was tot 2004 niets geregeld over digitaal gebruik. Door het groeiend gebruik van materiaal in elektronische leeromgevingen wilden de universiteiten hiervoor een regeling treffen. Een conceptovereenkomst wordt spoedig aan de universiteiten voorgelegd. Door deze overeenkomst kunnen universiteiten publicaties scannen en gebruiken in hun elektronische leeromgevingen, zoals dit binnen het hbo al mogelijk was.
In de nieuwe Auteurswet is opgenomen dat de verveelvoudiging of openbaarmaking enkel toegestaan is voor niet-commercieel onderwijs.
Korte werken Onder ‘korte werken’ vallen volgens de regeling grafieken en soortgelijke werken, door uitgevers gebundelde en bewerkte gerechtelijke uitspraken (inclusief annotatie), en ook de uitgave van een in het kader van een universitaire plechtigheid gehouden mondelinge voordracht. Het is dus mogelijk om bijvoorbeeld tabellen, of een inaugurele of diesrede te gebruiken op grond van deze regeling. Voor het gebruik van korte werken in een reader stelt de regeling een grens aan de omvang van een werk. Ieder overgenomen werk wordt geacht een maximale omvang te hebben van 200 woorden respectievelijk een halve pagina.
Kort gedeelte Bij invulling van het begrip ‘kort gedeelte’ maakt de regeling een onderscheid tussen niet-literaire en literaire geschriften. Een kort gedeelte uit een niet-literair boekwerk mag maximaal 10.000 woorden tellen, op voorwaarde dat dit aantal niet meer omvat dan een derde deel van het werk waaruit wordt overgenomen. Uit periodieken met een niet-literaire inhoud mogen maximaal 8.000 woorden worden overgenomen, en ook hier is de voorwaarde dat de overname niet meer omvat dan een derde deel van de aflevering waaruit wordt overgenomen. Uit literaire geschriften ten slotte mogen maximaal 100 regels poëzie of 2.500 woorden proza ontleend worden, mits deze ontlening niet meer betreft dan een tiende gedeelte van het gehele oorspronkelijke werk.
Het moge duidelijk zijn dat in het onderwijs bepaald gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken mogelijk is, maar dat dit niet gratis kan. De billijke vergoeding die hiervoor betaald moet worden is gebaseerd op het gemiddelde gebruik bij een onderwijsinstelling. Op basis van beschikbare gegevens uit het verleden en uit nader onderzoek wordt door de VSNU, vereniging van universiteiten, de HBO-raad en Stichting PRO een jaarlijkse vergoeding per student vastgesteld.
Wilma Mossink is juridisch adviseur van FOBID JC
Technische beschermingsmaatregelen
Onderstaande tekst, geschreven door Kamiel Koelman, verscheen in de in samenwerking met FOBID JC samengestelde serie ‘De nieuwe Auteurswet’ in Informatie Professional no. 7/8, juli/augustus 2005:
Bescherming van technische voorzieningen
Nieuw in de Auteurswet is artikel 29a, de zogeheten ‘bescherming van technische voorzieningen’, zoals kopieerbeveiliging. Door deze bescherming kunnen rechthebbenden veel meer dan voorheen het gebruik van werken controleren. Gebruikers hebben juist minder vrijheden.
Sinds de update van de Auteurswet eind 2004 kennen we de zogeheten ‘bescherming van technische voorzieningen’. De Auteurswet omschrijft technische voorzieningen als technologie die handelingen waarvoor de auteursrechthebbende geen toestemming heeft gegeven, beperkt of voorkomt. Wie technische voorzieningen, zoals encryptie of kopieerbeveiliging, bewust omzeilt of kraakt, handelt in strijd met de Auteurswet.
Deze norm was een van de heetste hangijzers tijdens de Europese onderhandelingen die aan de update voorafgingen. Door technische voorzieningen en hun bescherming zou immers de ‘delicate balans’ tussen de belangen van auteursrechthebbenden en gebruikers ten nadele van de laatste groep kunnen verschuiven. Met het nieuwe artikel 29a van de Auteurswet is die balans inderdaad in deze zin verschoven.
Minder vrijheid
Auteursrechthebbenden kunnen door artikel 29a méér handelingen verbieden dan voorheen mogelijk was. Ook als bepaald gebruik uitdrukkelijk géén auteursrechtinbreuk oplevert omdat het met zoveel woorden in de wet is uitgezonderd (zoals privé-kopiëren of kopiëren voor preserveringsdoeleinden), dan is dat gebruik, wanneer een rechthebbende het technisch verhindert, alleen rechtmatig als de gebruiker daarvoor toestemming heeft van de auteursrechthebbende. De uitzonderingen van het auteursrecht gelden niet voor werken waarop een technische beschermingsmaatregel is aangebracht. Daardoor staat meer gebruik onder controle van rechthebbenden, terwijl gebruikers minder vrijheden hebben.
Nog geen regeling
Er zijn maatregelen in het vooruitzicht gesteld die het evenwicht tussen de belangen van auteursrechthebbende en gebruiker enigszins kunnen herstellen. De minister van Justitie kan een regeling uitvaardigen waarbij auteursrechthebbenden worden verplicht om gebruik mogelijk te maken dat onder enkele van de uitzonderingen op het auteursrecht valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om de uitzonderingen voor privé-kopiëren, voor gebruik in het onderwijs, voor kopiëren ten behoeve van preservering en voor gebruik door gehandicapten. Toch komt zo’n regeling er voorlopig niet. De minister heeft laten weten dat hij liever ziet dat de betrokkenen er zelf uitkomen.
De kans op herstel van het evenwicht wordt nog onwaarschijnlijker als we bedenken dat de wet bepaalt dat bij on demand verspreiding de contractsvrijheid vóórgaat op de (eventuele) plicht om uitgezonderd gebruik mogelijk te maken. Dit betekent dat wanneer bijvoorbeeld een e-book op internet wordt aangeboden en de gebruiker een contract accepteert – op ‘I accept’ klikt – waarin staat dat voor íeder gebruik een licentie nodig is, de rechthebbende nóóit kan worden gedwongen om wettelijk uitgezonderd gebruik te faciliteren.
Cracks
Niet alleen het omzeilen van een technische voorziening, maar ook het maken en verspreiden van omzeilingsmiddelen en diensten is onrechtmatig. De auteursrechthebbende kan dus optreden tegen het maken en verspreiden van zogeheten cracks en tegen het aanbieden van informatie – bijvoorbeeld op een website of in een tijdschrift – over hoe men een technische beveiligingsmaatregel kan kraken.
Overigens riskeert diegene die cracks maakt en verspreid of een beveiliging omzeilt daarvoor in Nederland geen gevangenisstraf. Maar auteursrechthebbenden kunnen hem wel aansprakelijk houden en de geleden schade op hem verhalen.
Privé-kopiëren
Enkele kamerleden maakten zich tijdens de behandeling van de wet zorgen over ‘consumentenrechten’, waarmee ze de uitzondering voor privé-kopiëren bedoelden. De minister van Justitie antwoordde hierop dat er géén absoluut recht bestaat om een privé-kopie te maken. Maar hij meldde eveneens dat als het technisch onmogelijk is gemaakt om zo’n kopie te maken, de algemene wettelijke consumentenbescherming een rol kan gaan spelen. Iemand die een product koopt dat niet doet wat er hij redelijkerwijs van mocht verwachten, kan zijn geld terugkrijgen. Volgens de minister houdt dit in dat ieder gebruik technisch mag worden geblokkeerd, als de koper hier vooraf maar op is gewezen. Het is dan geen verrassing dat bijvoorbeeld kopiëren niet kan.
Het is dus zaak niet te snel op de ‘akkoord-knop’ te klikken, maar eerst de kleine lettertjes te lezen, voordat men (online) een technisch beschermd werk aanschaft.
Voor meer informatie zie: www.euro-copyrights.org/index/1/33
Kamiel Koelman is werkzaam bij Computer/Law Institute, Vrije Universiteit, Amsterdam.
Leenrecht
Publiek toegankelijke instellingen mogen exemplaren van auteursrechtelijk beschermde werken uitlenen, mits aan de rechthebbende een billijke vergoeding wordt betaald. Dit leenrecht is geregeld in art. 15c eerste lid jo art. 12 eerste lid onder 3o Auteurswet.
Onder publiek toegankelijke instellingen vallen in hoofdzaak de openbare bibliotheken. Bibliotheken van instellingen voor onderwijs en onderzoek en de Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van leenrechtvergoedingen. Hetzelfde geldt voor de blindenbibliotheken (art. 15c lid 2 en 3 Aw). Het uitlenen door niet voor het publiek toegankelijke bibliotheken zoals bedrijfsbibliotheken valt niet onder het leenrecht.
De vaststelling van de leenrechtvergoedingen, de incasso en de repartitie zijn geregeld in de artikelen 15d, 15f en 15g Aw. De hoogte van de leenvergoeding wordt vastgesteld door de Stichting Onderhandelingen Leenvergoedingen (StOL). Deze Stichting is hiertoe aangewezen door de overheid. In het bestuur zijn rechthebbenden via Stichting Leenrecht en gebruikers via de Vereniging van Openbare Bibliotheken evenwichtig vertegenwoordigd. De Stichting heeft een onafhankelijke voorzitter. De billijke vergoeding voor geschriften bedraagt in 2006 ca. 11 eurocent per uitlening, voor cd, video en dvd ca. 26 eurocent en voor multimedia ca. 47 eurocent per uitlening. Voor audio en video die op zogenaamde hitlijsten staan geldt een viervoudig tarief. Uitlenen van bepaalde computerprogramma’s is op grond van de wettelijke regeling van het leenrecht niet toegestaan.
De incasso van de verschuldigde leenrechtvergoeding is door de overheid opgedragen aan de Stichting Leenrecht. Deze stichting is tevens belast met de repartitie van de geïnde leenrechtvergoedingen aan rechthebbenden.
Stichting Leenrecht: www.leenrecht.nl
Vereniging van Openbare Bibliotheken: www.debibliotheken.nl
StOL: Secretariaat p/a Vereniging van Openbare Bibliotheken, 070-3090141, email stol@debibliotheken.nl
|